De kruisridders waren adellijke deelnemers aan de kruistochten. Ze namen “het kruis op” en droegen lange witte mantels met een opgenaaid kruis van rode, groene of zwarte stof. Uit deze mantelkruizen en de verenigingen van kruisridders en hospitaalridders zijn de eerste ridderorden ontstaan. Deze militaire monniken leefden in kloosters en eigen huizen, waar ze meedogenloze gevechten afwisselden met contemplatief leven als celibataire monniken. In de twaalfde eeuw ontstonden militaire ridderorden die hun veroveringen zelf beheerden en grote bezittingen hadden. De kruisridders speelden een belangrijke rol in de geschiedenis van de middeleeuwse kruistochten en hun verhalen zijn doordrenkt van avontuur, religie en strijd.
De kruisridders speelden een belangrijke rol bij het beschermen van pelgrims tijdens de middeleeuwse kruistochten.
Bedevaarten naar het heilige graf en Jeruzalem waren al sinds de tijd van keizerin Helena (circa 248-329) populair. Pelgrims bezochten deze gewijde plaatsen in het Heilige Land.
In de tiende eeuw begon de verdrukking van de bedevaartgangers. De Fatimidische kalief al-Hakim verbood zelfs de christelijke godsdienst en vernietigde de Heilig-Grafkerk in Jeruzalem.
De situatie verslechterde toen de Seldsjukken Jeruzalem en het heilige graf in 1076 veroverden. De christenen in het Westen besloten hun broeders te hulp te komen en het heilige land te bevrijden van de moslimheerschappij.
Tussen 1097 en 1291 vonden acht kruistochten plaats. De kruisvaarders trokken naar het Heilige Land om Jeruzalem te bevrijden. De kruistochten gingen gepaard met antisemitische daden. Veel Joden die samen met hun moslimstadgenoten Jeruzalem probeerden te verdedigen, kwamen om. Waar de plaatselijke bevolking de pelgrims niet vrijwillig te eten gaf, was roven en stelen aan de orde van de dag.
De kruisridders probeerden de pelgrims te beschermen tegen de gevaren onderweg. Ze bouwden kerken en hospitaals ter ere van Johannes de Doper om de pelgrims te ondersteunen.